Ganzenstront (1)

 

‘Duw hem dan!’

‘Doe dan!’

‘Je durft het niet, hè. Schijterd.’

‘Kom op, niet doen.’ Robin’s stem klinkt klein, kleiner dan hij zou willen. Het geschreeuw van Guido en Patrick overstemt zijn iele stemgeluid. Guido stuurt zijn fiets nog een keer richting de zijne, zijn voorwiel wordt bijna geraakt. Robin kan hem nog net ontwijken door naar links te sturen en hard op zijn rem te trappen. Patrick trapt onmiddellijk tegen zijn achterspatbord.

‘Doorrijden, vetzak.’ klinkt het dreigend.

Met zware voeten trapt Robin door. Verder naar links kan hij niet, daar is alleen nog de hoge stoep. Hij kan nu echt geen kant meer op. Robin ademt zwaar en probeert alles op alles te zetten om rustig te blijven. Het is niet erg dat ze hem klemgereden hebben, vertelt hij zichzelf. Als ze lang genoeg zo blijven fietsen, zo midden op de weg, dan komt er vanzelf een auto aan. En dan moeten ze wel aan de kant gaan. Bovendien, Patrick en Guido doen niets. Dat doen ze nooit. Ze schreeuwen vooral een beetje, maar pijn hebben ze hem nooit gedaan. Daarvoor nemen ze altijd iemand anders mee. Dit keer is dat Roel.

Over Roel maakt hij zich wel zorgen. Die fietst naast hem en haalt sporadisch zijn linkerbeen van de trapper. Twijfelend.  Gevangen tussen stoerdoenerij en medelijden. Er is maar weinig nodig om hem naar de verkeerde kant te doen bewegen weet Robin uit ervaring. Het is een spel, dat hij iets te vaak wordt gedwongen mee te spelen. Patrick en Guido kiezen van tevoren een subject uit, een hulpeloze jongen die zij voor hun karretje konden spannen en uitdagen en bewegen Robin iets aan te doen. Robin probeert die jongen vervolgens van het idee af te praten. Soms lukt dat, maar vaker eigenlijk niet.

‘Mietje!’ roept Guido hard naar Roel.

‘Roel, luister naar me. Je schiet hier niets mee op.’ Robin probeert zijn hoofd in het blikveld van Roel te bewegen, maar de ogen van de jongen zijn gefixeerd op het frame van zijn fiets.

‘Trap hem dan van zijn fiets!’

‘Doe het dan!’

‘Roel. Kom op.’ Robin smeekt het hem bijna.

Rimpels verschijnen op de neus van Roel. Zijn lip vervaagt tot een streep. Voor één seconde heeft Robin oogcontact, maar dan trekt Roel zijn linkerbeen omhoog. Zijn knie beweegt richting zijn neus. En dan trapt hij. De stekende pijn in Robin’s heup is onmiddellijk en hij slaakt een kreet. Zijn trapper raakt de stoep, de fiets schuift onder hem weg en Robin valt, zijn handen voor hem uit strekkend. Met een harde klap komen die eerst op het gras terecht, dan zijn heup, dan de rest van zijn lichaam en dan begint hij te rollen, de grasheuvel af. Boven is onder, onder is boven en nog een keer. Op zijn buik komt hij uiteindelijk tot stilstand. Zijn wang is tegen de grond gedrukt, zijn handen en benen wijd uit elkaar. Hij ademt in, zwaar, kort en even is alles stil. Maar dan hoort hij het. Ver weg, maar duidelijk genoeg. Het gelach van zijn klasgenoten die vanaf de straatkant naar hem kijken.

‘Hij ligt in de schijt! Kijk dan.’

‘Ganzenstront!’

Robin draait zijn hoofd en tilt zijn rechterhand op. Bruingroene smurrie kleeft tussen zijn vingers. Nat. Zacht. Warm. Met zijn schone linkerhand duwt hij zich overeind, gaat op zijn knieën zitten en voelt dan pas dat zijn broekspijpen ook nat zijn. Hij hoeft er niet naar te kijken om te weten waardoor dat komt. Patrick, Guido en Roel schateren het aan de kant van de weg uit.

Robin laat zijn hoofd hangen, hoopt dat de jongens snel genoeg krijgen van het tafereel en dat ze weggaan. Hij probeert het gelach uit zijn gedachten te bannen, probeert het niet te horen. Een onverklaarbaar geluid vult langzaam zijn oren. Doffe klappen op een zachte ondergrond. Meerdere tegelijk en toch ritmisch. Het gelach van zijn klasgenoten verstomd, maar dat andere geluid wordt steeds luider, sneller en de grond begint te trillen.

Vertwijfeld opent Robin zijn ogen en kijkt om zich heen. Vanaf de kant van de rivier, van onder aan de heuvel waarop hij halverwege is blijven liggen, ziet hij ze aan komen stormen. Ganzen. Ze zijn met velen, meer dan tien. Van alle kanten komen ze op hem af, hun dikke witte lijven waggelen in een moordend tempo naar hem toe. Ze hebben hun nekken uitgestrekt, hun vleugels uitgeslagen. Dan ineens is daar ook het gegak. De herrie, het immense, overdonderende geluid van tien ganzen. Robin kruipt achteruit van schrik en probeert op te staan, maar zijn linkerhand komt terecht in natte poep en glijdt onder hem uit. Dreigend naderen ze hem. Ze zijn er al bijna. Hij kan hun harde snavels al op zijn vel voelen. Nog een keer probeert hij op te staan, maar dit keer glijdt zijn voet uit en met een harde knal klapt hij terug op de grond. Hij trekt zijn benen in, legt zijn handen ter bescherming over zijn hoofd en zet zich schrap.

De witte beesten drommen om hem heen. Hij ziet ze niet, maar hij voelt het gedreun van hun voeten op de grond. Hoort de immense herrie van hun gegak, alsof ze recht boven zijn hoofd staan. Hij spant alle spieren in zijn lichaam aan, wachtend op die eerste snavel, op die eerste steek van pijn. Het gegak zwelt aan. Harder, nog harder. En dan ineens houdt het op. Secondenlang blijft het stil om hem heen. Robin voelt en hoort niets. Aarzelend tilt hij zijn hoofd op.

Voor hem, naast hem, overal om hem heen ziet hij witte veren, dikke lagen witte veren. Pas als hij zijn hoofd verder optilt en overeind gaat zitten ziet hij dat de ganzen in een halve cirkel om hem heen zitten. Recht voor hem zitten er drie op een rij met hun hoofden in de richting van de straat. Daar staan Patrick, Guido en Roel nog steeds bij hun fietsen. De monden van zijn klasgenoten zijn open. Ze zeggen niets, ze doen niets. Ze staan daar maar stom te staan. Eén van de ganzen vooraan gakt, hard, onverbiddelijk. Patrick vliegt bijna een halve meter de lucht in. De andere ganzen beginnen ook weer te gakken. Robin lacht met ze mee. Ze maken een immense herrie, Robin en de ganzen. Patrick’s ogen worden nog iets groter. Hij draait zich zo snel als hij kan om en stapt op zijn fiets. Guido en Roel weten niet hoe snel ze hem moeten volgen.

Om hem heen leggen de ganzen hun nekken op hun rug, verbergen hun snavels tussen hun veren en sluiten hun ogen. Robin laat zich zakken in het gras en volgt hun voorbeeld. Hij krult zich op zijn zij, schouderdiep in de ganzenstront.

Het opruimmonster

Een tiental zwarte mechanische armen, die zich als tentakels van een inktvis door de kamer bewogen vulden zijn gezichtsveld. Een voor een tilden ze spullen van de grond of uit dozen op en hielden die voor zijn neus. Het mechanische monster wist binnen een seconde naar welke hoek van de kamer hij het getoonde spul moest verplaatsen. Links achter Tygo, wist hij, bevond zich de stapel dozen die hij mee zou nemen naar zijn volgende leefplek. Dat was het appartement dat hij met zijn vriendin Mirjam zou gaan delen, de plek waar ze zouden gaan samenwonen en die veel te klein was voor de spullen van hun beiden. Het was door deze woning dat hij te midden van dit groteske apparaat zat en het geval had ingesteld op 50/50. De helft achterlaten, de andere helft meenemen. Dat had hij zo met Mirjam afgesproken. Rechts achter Tygo, bevonden zich de spullen waarvan het apparaat, door zijn hersenactiviteit te meten, had berekend dat hij dit soort spullen wel zou kunnen missen.

Het was zijn broer die hem het ding aangeraden had. Hij had het gebruikt toen hij al zijn kinderspullen bij ma weg had moeten halen. Binnen twee uur had het apparaat alles geordend, een proces dat Tygo weken zou hebben gekost en dat hij uiteindelijk op zou hebben gegeven. Zijn broer was heel tevreden geweest, maar Tygo was toch wat sceptisch. Tussen die spullen van vroeger zaten geen kleren die zijn broer nog aan zou moeten trekken.  Tygo wist eigenlijk niet of de machine met praktische overwegingen rekening hield. Hij hoopte dat er van zijn garderobe meer dan alleen zijn sokken over bleef, ondanks dat hij zo grondig ontevreden was over zijn eigen kledingstijl. Het vervelende was, dat realiseerde hij zich nu pas, dat hij het apparaat had gevraagd alle dozen dicht te plakken, zodat hij niet geneigd zou zijn toch nog dingen te redden die het apparaat, of eigenlijk, hij en zijn onderbewustzijn, hadden afgekeurd. Maar nu wist hij dus pas na de verhuizing waar hij zo onbewust afscheid van had genomen. Hij probeerde zijn hoofd te draaien in de richting van de rechter stapel, om te zien wat de lange armen in die dozen liet verdwijnen, maar de machine was meedogenloos. Iedere seconde werd gevuld met een nieuwe prikkel, een nieuw item dat weer zijn aandacht opeiste. Het leek alsof het ding ook dit keer binnen twee uur klaar wilde zijn.

Voor hem zweefden roze strippenkaarten. Een voor een liet de machine hem zien. Er waren er tientallen. Ze kwamen uit zijn verzameling van de tijd dat hij nog met de bus naar zijn werk toe ging. Hij zag een treinkaartje naar Den Haag voor een bezoek aan Madurodam voorbij komen. Daar waren ze als gezin naartoe gegaan in 1999, hij wist het nog precies. Ze hadden slecht weer voorspeld, maar op een kleine wolk na was het die dag prachtig geweest. Er kwamen schoenveters voorbij. Korte, versleten, vale veters. De veters die hij aan had toen hij zijn strikdiploma haalde. Terwijl de bureaulampen die zijn vader hem voor zijn communie had gegeven voorbij kwamen zag hij in zijn ooghoek hoe het beeldscherm met daarop onder meer zijn hartslag een steeds hoger getal aan begon te geven. Het getal werd naarmate de tijd verstreek en de kamer leger en leger werd groter en zijn gemoedstoestand onrustiger. Normaal ging iedere keuze gepaard met een langdurig wikken en wegen. Een proces dat hem niet alleen een weloverwogen keuze inhield maar hem ook als persoon heel veel rust gaf. Als hij dan uiteindelijk toch had besloten het voorwerp weg te doen, dan had hij daar in ieder geval gefundeerde argumenten voor. Nu voelde het alsof hij geen enkele grip meer op de situatie had en hij vertrouwde alleen maar op een apparaat dat zijn hersensgolven mat om tot keuzes te komen.

Tygo opende zijn ogen en nam een slok bier. Hij ging verzitten, schoof wat papieren aan de kant en staarde naar de ravage om hem heen. Hij keek naar de bergen papier die her en der verspreid over de kamer lagen. Naar al zijn bezittingen, zijn hele leven uitgestald op de grond. En naar de linker- en rechterhoek van de kamer waar niet, bijna als magie, zijn bezittingen netjes opgestapeld stonden in dozen. Op het lijstje dat bij zijn knieën lag streepte hij het idee ‘apparaat op basis van hersengolven’ door. Nog steeds geen steek verder. Zijn telefoon trilde. Mirjam appte hem.

‘Kom je er een beetje uit met het inpakken, schatje?’

‘Ja.’ appte hij terug en keek naar het idee dat hij zojuist doorgestreept had. ‘Ik heb het idee dat ik ergens aan het komen ben.’