Het droeve einde

Michelle’s handen waren rood, pijnlijk en stijf. Aan haar knieën kleefden verharde korrels grond en stukjes sneeuw, die nu, door de warmte hier in huis, langzaam begonnen te smelten. Haar gezicht was bezweet. In haar rechterhand hield ze een schop, die ze met een klap op de vloer liet vallen. Een zucht verlaatte haar mond.

‘Het lukt niet.’ mompelde ze verslagen. Vanuit de woonkamer kwam Ciska de gang in. De Ipad in haar handen.

‘Ben je al weer terug?’ Ze keek niet op van het scherm en wachtte niet op een reactie van Michelle. ‘Er moet een gat van minstens één meter diep gegraven worden en hij mag niet in plastic gewikkeld zijn.’

Michelle zuchtte nog eens, dieper, opvallender dit keer. Typisch Ciska. Die moest zich bij dit soort gebeurtenissen altijd concentreren op praktische zaken om te blijven functioneren. Dat hun hond in de eetkamer op tafel lag, zo stijf als een stok, dat moest Ciska voor het gemak vergeten. Op dit moment was het enige dat ze moest doen een vraag beantwoorden, meer niet.

‘Het lukt niet.’ zei Michelle weer. Ciska keek eindelijk op van haar scherm. Michelle wreef haar pijnlijke handen tegen elkaar en blies erin.

‘Hoe bedoel je?’

Michelle haalde haar schouders op. ‘De grond is bevroren. Ik kom er niet doorheen.’

Ze trok haar sjaal van haar nek af en liep de eetkamer in. Ze stopte toen ze hem zag liggen. Pluk. Zijn ogen waren gesloten alsof hij lag te slapen. Alleen de stijfheid van zijn lichaam verraadde dat hij niet meer wakker zou worden. Ze hadden hem op tafel gelegd, waarom precies wist Michelle niet. Het was Ciska’s voorstel geweest. Misschien ging het rouwen makkelijker als er niet gebukt hoefde te worden. Michelle aaide het oortje van hun trouwe viervoeter. Het voelde anders dan voorheen. Harder. Nu al.

‘Maar…’ bracht Ciska uit. ‘En als ik mee help? Dan doen we het samen?’ Er klonk paniek in haar stem. Dat snapte Michelle wel. Er lag een dode hond op tafel. Een waardig afscheid was alles wat hem nog restte en ook het enige dat zij hem nog te bieden hadden. Als hij niet een meter diep de grond in kon zou dat mislukken. Dat was geen optie, want hem een lang leven geven was hen ook al niet gelukt.

Michelle schudde verslagen haar hoofd. Het vroor al dagen, de grond was zo hard als steen. Er was geen beginnen aan. Tien centimeter, hooguit, zo ver was ze gekomen. Ciska kwam naast haar staan en legde even ten einde raad haar hand op het beestje.

‘Kunnen we niet warm water op de grond gooien om het te ontdooien?’ probeerde ze. Michelle schoot bijna in de lach bij de absurditeit van het idee, maar kon haar gezicht nog net in plooi houden. Ze schudde haar hoofd weer.

‘Cis, misschien moeten we hem toch maar gewoon naar het crematorium brengen.’ zei Michelle. Een huivering schoot door Ciska’s lichaam heen. Ontsteld trok ze haar hand van Pluk weg en begon driftig op haar Ipad te tikken.

‘Nee, nee. Absoluut niet. Er moet een andere manier zijn.’

‘We hebben het begraven geprobeerd, Cis. Het gaat gewoon niet.’ Het was de bittere waarheid, een waar Michelle eigenlijk ook niet aan wilde geloven. Het idee dat hun huisdier in een oven tot niets zou verworden en dat ze daarna het as van hem mee naar huis mochten nemen vond ze maar luguber. Maar er was geen andere optie.

Ciska ijsbeerde langs de tafel, beet op haar onderlip en staarde naar het levenloze lichaam van Pluk. ‘We gaan hem toch niet verbranden!’ riep ze uit.

‘Wat dan, Ciska? Ik krijg het gat niet gegraven. We kunnen hem niet hier laten. Ik wil hem ook niet naar  het kadaverdepot brengen.’ Ze kreeg het woord bijna niet over haar lippen. Ontsteld keek Ciska naar Michelle.

‘Hoe durf je dat als optie te noemen?’ Ze had de Ipad langs haar lichaam laten zakken. Rode blosjes ontstonden op haar wangen. Haar linkerhand builde zich tot een vuist.

‘Denk je dat ik dat wil? Ik noem alleen de opties die we hebben.’ antwoordde Michelle radeloos.

‘Dan hoef je nog niet zo naar te doen.’ Ciska schreeuwde het bijna uit, de blosjes werden roder en roder. Michelle voelde tranen in haar ogen opwellen.

‘Ik ben tenminste pragmatisch, Ciska. Jij zit alleen maar een beetje willekeurig op je Ipad te tikken.’ Het was eruit voordat ze het wilde.

Ciska keek haar verbijsterd aan, opende haar mond en sloot hem weer. Als een vis die naar adem hapte.

Er werd op de achterdeur geklopt. Het was de buurman, die ietwat onbeholpen naar hen zwaaide. Tot hij de hond zag liggen, zijn ogen groot werden en hij zijn hand heel langzaam liet zakken. Michelle opende de deur voor hem. Met een grote pas kwamen de buurman en een zee aan kou de woning binnen.

‘Ik zag dat je een gat wilde graven en wilde aanbieden je te komen helpen.’ De buurman pauzeerde en keek langs Michelle heen naar de eetkamer.

‘Ach gossie.’

‘Ja.’

‘Oud?’

‘Ja.’

Er viel een stilte. Ciska had de Ipad weggelegd en negeerde Michelle’s blik. De aandacht van de buurman werd volledig opgeslokt door het lijkje van Pluk. Michelle keek naar de tuin, naar het laagje sneeuw met daartussen het beetje aarde dat ze omgewoeld had.

‘Euh ja. Ik kwam jullie dus helpen.’ zei de buurman, ineens opgewekt. ‘Kom. Hier, hier, kijk.’

De buurman wenkte hen uitbundig en leidde ze naar buiten, zijn tuin in. Overal in de tuin groeiden en krioelden planten over de grond. Het was een wirwar aan takken, bloemen en blaadjes met daarbovenop een laagje sneeuw. Overal, behalve in het midden, waar de planten weg leken te zijn gerukt en er in plaats van de overwoekering een groot gat zichtbaar was. Minstens één meter diep.

‘Jullie kunnen hem wel hier begraven.’

Ciska en Michelle keken hun buurman met grote ogen aan. Die haalde op zijn beurt, haast verontschuldigend, zijn schouders op.

‘Kom maar kijken.’ Michelle zette twijfelend een stap naar voren. Ze kon nu beter het gat in kijken. In een hoekje zag ze een harig achterpootje.

‘Hij past er nog wel bij, toch?’

Advertenties

Het opruimmonster

Een tiental zwarte mechanische armen, die zich als tentakels van een inktvis door de kamer bewogen vulden zijn gezichtsveld. Een voor een tilden ze spullen van de grond of uit dozen op en hielden die voor zijn neus. Het mechanische monster wist binnen een seconde naar welke hoek van de kamer hij het getoonde spul moest verplaatsen. Links achter Tygo, wist hij, bevond zich de stapel dozen die hij mee zou nemen naar zijn volgende leefplek. Dat was het appartement dat hij met zijn vriendin Mirjam zou gaan delen, de plek waar ze zouden gaan samenwonen en die veel te klein was voor de spullen van hun beiden. Het was door deze woning dat hij te midden van dit groteske apparaat zat en het geval had ingesteld op 50/50. De helft achterlaten, de andere helft meenemen. Dat had hij zo met Mirjam afgesproken. Rechts achter Tygo, bevonden zich de spullen waarvan het apparaat, door zijn hersenactiviteit te meten, had berekend dat hij dit soort spullen wel zou kunnen missen.

Het was zijn broer die hem het ding aangeraden had. Hij had het gebruikt toen hij al zijn kinderspullen bij ma weg had moeten halen. Binnen twee uur had het apparaat alles geordend, een proces dat Tygo weken zou hebben gekost en dat hij uiteindelijk op zou hebben gegeven. Zijn broer was heel tevreden geweest, maar Tygo was toch wat sceptisch. Tussen die spullen van vroeger zaten geen kleren die zijn broer nog aan zou moeten trekken.  Tygo wist eigenlijk niet of de machine met praktische overwegingen rekening hield. Hij hoopte dat er van zijn garderobe meer dan alleen zijn sokken over bleef, ondanks dat hij zo grondig ontevreden was over zijn eigen kledingstijl. Het vervelende was, dat realiseerde hij zich nu pas, dat hij het apparaat had gevraagd alle dozen dicht te plakken, zodat hij niet geneigd zou zijn toch nog dingen te redden die het apparaat, of eigenlijk, hij en zijn onderbewustzijn, hadden afgekeurd. Maar nu wist hij dus pas na de verhuizing waar hij zo onbewust afscheid van had genomen. Hij probeerde zijn hoofd te draaien in de richting van de rechter stapel, om te zien wat de lange armen in die dozen liet verdwijnen, maar de machine was meedogenloos. Iedere seconde werd gevuld met een nieuwe prikkel, een nieuw item dat weer zijn aandacht opeiste. Het leek alsof het ding ook dit keer binnen twee uur klaar wilde zijn.

Voor hem zweefden roze strippenkaarten. Een voor een liet de machine hem zien. Er waren er tientallen. Ze kwamen uit zijn verzameling van de tijd dat hij nog met de bus naar zijn werk toe ging. Hij zag een treinkaartje naar Den Haag voor een bezoek aan Madurodam voorbij komen. Daar waren ze als gezin naartoe gegaan in 1999, hij wist het nog precies. Ze hadden slecht weer voorspeld, maar op een kleine wolk na was het die dag prachtig geweest. Er kwamen schoenveters voorbij. Korte, versleten, vale veters. De veters die hij aan had toen hij zijn strikdiploma haalde. Terwijl de bureaulampen die zijn vader hem voor zijn communie had gegeven voorbij kwamen zag hij in zijn ooghoek hoe het beeldscherm met daarop onder meer zijn hartslag een steeds hoger getal aan begon te geven. Het getal werd naarmate de tijd verstreek en de kamer leger en leger werd groter en zijn gemoedstoestand onrustiger. Normaal ging iedere keuze gepaard met een langdurig wikken en wegen. Een proces dat hem niet alleen een weloverwogen keuze inhield maar hem ook als persoon heel veel rust gaf. Als hij dan uiteindelijk toch had besloten het voorwerp weg te doen, dan had hij daar in ieder geval gefundeerde argumenten voor. Nu voelde het alsof hij geen enkele grip meer op de situatie had en hij vertrouwde alleen maar op een apparaat dat zijn hersensgolven mat om tot keuzes te komen.

Tygo opende zijn ogen en nam een slok bier. Hij ging verzitten, schoof wat papieren aan de kant en staarde naar de ravage om hem heen. Hij keek naar de bergen papier die her en der verspreid over de kamer lagen. Naar al zijn bezittingen, zijn hele leven uitgestald op de grond. En naar de linker- en rechterhoek van de kamer waar niet, bijna als magie, zijn bezittingen netjes opgestapeld stonden in dozen. Op het lijstje dat bij zijn knieën lag streepte hij het idee ‘apparaat op basis van hersengolven’ door. Nog steeds geen steek verder. Zijn telefoon trilde. Mirjam appte hem.

‘Kom je er een beetje uit met het inpakken, schatje?’

‘Ja.’ appte hij terug en keek naar het idee dat hij zojuist doorgestreept had. ‘Ik heb het idee dat ik ergens aan het komen ben.’