Het opruimmonster

Een tiental zwarte mechanische armen, die zich als tentakels van een inktvis door de kamer bewogen vulden zijn gezichtsveld. Een voor een tilden ze spullen van de grond of uit dozen op en hielden die voor zijn neus. Het mechanische monster wist binnen een seconde naar welke hoek van de kamer hij het getoonde spul moest verplaatsen. Links achter Tygo, wist hij, bevond zich de stapel dozen die hij mee zou nemen naar zijn volgende leefplek. Dat was het appartement dat hij met zijn vriendin Mirjam zou gaan delen, de plek waar ze zouden gaan samenwonen en die veel te klein was voor de spullen van hun beiden. Het was door deze woning dat hij te midden van dit groteske apparaat zat en het geval had ingesteld op 50/50. De helft achterlaten, de andere helft meenemen. Dat had hij zo met Mirjam afgesproken. Rechts achter Tygo, bevonden zich de spullen waarvan het apparaat, door zijn hersenactiviteit te meten, had berekend dat hij dit soort spullen wel zou kunnen missen.

Het was zijn broer die hem het ding aangeraden had. Hij had het gebruikt toen hij al zijn kinderspullen bij ma weg had moeten halen. Binnen twee uur had het apparaat alles geordend, een proces dat Tygo weken zou hebben gekost en dat hij uiteindelijk op zou hebben gegeven. Zijn broer was heel tevreden geweest, maar Tygo was toch wat sceptisch. Tussen die spullen van vroeger zaten geen kleren die zijn broer nog aan zou moeten trekken.  Tygo wist eigenlijk niet of de machine met praktische overwegingen rekening hield. Hij hoopte dat er van zijn garderobe meer dan alleen zijn sokken over bleef, ondanks dat hij zo grondig ontevreden was over zijn eigen kledingstijl. Het vervelende was, dat realiseerde hij zich nu pas, dat hij het apparaat had gevraagd alle dozen dicht te plakken, zodat hij niet geneigd zou zijn toch nog dingen te redden die het apparaat, of eigenlijk, hij en zijn onderbewustzijn, hadden afgekeurd. Maar nu wist hij dus pas na de verhuizing waar hij zo onbewust afscheid van had genomen. Hij probeerde zijn hoofd te draaien in de richting van de rechter stapel, om te zien wat de lange armen in die dozen liet verdwijnen, maar de machine was meedogenloos. Iedere seconde werd gevuld met een nieuwe prikkel, een nieuw item dat weer zijn aandacht opeiste. Het leek alsof het ding ook dit keer binnen twee uur klaar wilde zijn.

Voor hem zweefden roze strippenkaarten. Een voor een liet de machine hem zien. Er waren er tientallen. Ze kwamen uit zijn verzameling van de tijd dat hij nog met de bus naar zijn werk toe ging. Hij zag een treinkaartje naar Den Haag voor een bezoek aan Madurodam voorbij komen. Daar waren ze als gezin naartoe gegaan in 1999, hij wist het nog precies. Ze hadden slecht weer voorspeld, maar op een kleine wolk na was het die dag prachtig geweest. Er kwamen schoenveters voorbij. Korte, versleten, vale veters. De veters die hij aan had toen hij zijn strikdiploma haalde. Terwijl de bureaulampen die zijn vader hem voor zijn communie had gegeven voorbij kwamen zag hij in zijn ooghoek hoe het beeldscherm met daarop onder meer zijn hartslag een steeds hoger getal aan begon te geven. Het getal werd naarmate de tijd verstreek en de kamer leger en leger werd groter en zijn gemoedstoestand onrustiger. Normaal ging iedere keuze gepaard met een langdurig wikken en wegen. Een proces dat hem niet alleen een weloverwogen keuze inhield maar hem ook als persoon heel veel rust gaf. Als hij dan uiteindelijk toch had besloten het voorwerp weg te doen, dan had hij daar in ieder geval gefundeerde argumenten voor. Nu voelde het alsof hij geen enkele grip meer op de situatie had en hij vertrouwde alleen maar op een apparaat dat zijn hersensgolven mat om tot keuzes te komen.

Tygo opende zijn ogen en nam een slok bier. Hij ging verzitten, schoof wat papieren aan de kant en staarde naar de ravage om hem heen. Hij keek naar de bergen papier die her en der verspreid over de kamer lagen. Naar al zijn bezittingen, zijn hele leven uitgestald op de grond. En naar de linker- en rechterhoek van de kamer waar niet, bijna als magie, zijn bezittingen netjes opgestapeld stonden in dozen. Op het lijstje dat bij zijn knieën lag streepte hij het idee ‘apparaat op basis van hersengolven’ door. Nog steeds geen steek verder. Zijn telefoon trilde. Mirjam appte hem.

‘Kom je er een beetje uit met het inpakken, schatje?’

‘Ja.’ appte hij terug en keek naar het idee dat hij zojuist doorgestreept had. ‘Ik heb het idee dat ik ergens aan het komen ben.’

Advertenties

Fanfare

Op de brede rug van Hans begon zich tussen zijn schouderbladen de eerste verschijnselen van een zweetplek te ontwaren. Olaf was blij dat de fysieke ongemakken van Hans hem ook bij zijn laatste optreden met de fanfare niet in de steek lieten. Al jaren was de rug van Hans vaak het enige dat hij van de omgeving zag. In het begin, toen hij nog een groentje was, omdat hij bang was zijn concentratie te verliezen als hij rond zou kijken. Nu, jaren later, omdat de rug van Hans nog steeds iets rustgevends had en Olaf de zweetplek inmiddels zo goed kende dat hij aan de hand van de grootte precies wist bij welk nummer ze waren. Tegen het einde van het voorlaatste nummer, waar ze net mee gestart waren, zou de vochtvlek zich uit hebben gespreid tot bij zijn schouderbladen. Alsof zijn lichaam zich klaarmaakte voor de grote finale.

Olaf keek om zich heen. De band marcheerde als zijnde één man over de Coolsingel. Zoals ieder jaar stonden er aan weerszijden toeschouwers. Oudere stelletjes met hun matchende fietsen aan de hand. Jonge jongens die hen met open monden aangaapten. Olaf genoot. De eenvoud van het marcheren, het ritme van de drums en het gevoel deel uit te maken van een geoliede machine, daar hield hij van. En van de kleine bewegingen die erbij hoorden. Zoals de manier waarop Bas en hij hun trompetten naar hun mond brachten, volledig synchroon. Ze zouden in Vught ook wel een orkest hebben, had Bas gezegd, toen Olaf hem het nieuws had verteld. Hij had hem een klopje op zijn schouder gegeven en dat was dat. Bas was niet zo van het praten, die reserveerde zijn longinhoud liever voor zijn trompet.

Er was hierna nog één nummer te gaan, daarna zouden ze het marcheren staken, hun instrumenten opbergen en zich haasten naar de kroeg voor een ijskoud biertje. Voor Olaf het laatste drankje als onderdeel van het orkest. De andere mannen zouden hem dronken voeren. Hans zou een traantje laten, dat deed hij altijd als iemand het gezelschap verliet. De enkele gedachte aan verdriet bracht de man al aan het huilen. Frits zou een speech houden, zoals het van een dirigent verwacht werd. Hij zou de anekdote met de losse veter weer herhalen, waardoor Olaf jaren geleden te midden van een nummer een rotsmakker maakte. Bas zou in een hoekje, nippend aan zijn biertje, het tafereel gade slaan.

Ze passeerden de Meent, die voor de zoveelste keer in jaren een puinhoop was. Het zou wel even duren voordat Olaf het eindresultaat zou zien. Hij keek naar de ernaast gelegen McDonalds. Hij had die vestiging na de verbouwing nog een bezoek willen brengen, maar dat was er niet meer van gekomen. Hij moest maar een lijstje aan gaan leggen, met daarop dingen die hij samen met zijn vrienden zou willen doen als hij weer eens in Rotterdam was. Hij zou hier nog vaak komen, hij had veel vrienden hier wonen en het was tenslotte maar een uurtje rijden. Toen Olaf dat tegen Frits had gezegd was de dirigent hard in lachen uitgebarsten en had zijn verdere uitleg weggewuifd. Olaf voelde zich door hem niet serieus genomen.

De zweetplek op het uniform van Hans was uitgegroeid tot een ellips, waarvan de zijkanten zijn schouderbladen aantipten. Zijn doorweekte blouse zou hij inmiddels uit kunnen knijpen. Dat deed Hans ook altijd; zo gauw ze het café binnenkwamen haastte hij zich naar de wc en friste zich daar op. Volledig in het nieuw, maar dan nog wel inclusief de knalrode kop, zou hij dan de kroeg weer binnen stappen en Bas tapte hem dan altijd onmiddellijk een biertje. Olaf grijnsde bij de gedachte. Ze passeerden het stadhuis. Het prachtige gebouw waarin hij al menig vriend had zien trouwen en waarvan hij vastberaden was ook ooit in te trouwen. Hoe zou zijn aankomende vrouw dat vinden, helemaal naar Rotterdam voor de trouwerij? Het een na laatste nummer bereikte bijna het einde. Ze hadden sneller gelopen dan gepland, ze waren nog enkele stappen van het einde van de route verwijderd. Ze zouden het laatste nummer in zo weinig passen nooit af kunnen maken.

Een laatste hoge noot van de blazers gaf het einde aan. Olaf liet zijn hoofd en trompet zakken. Zijn voeten stapten in het vertrouwde ritme door, maar hij had het gevoel dat hij heel Rotterdam achter zich aan sleepte. Bas legde zijn hand op zijn schouder en schonk hem een bemoedigende glimlach. Achter hem galmde de drums weer tot leven. Helemaal vooraan had Frits zich voor de gelegenheid omgedraaid en keek het orkest strak aan. Hij wees naar Olaf, knikte plechtig en gaf toen de maat aan. De fanfare galmde weer tot leven. Ze marcheerden door, sloegen rechtsaf de Pompenburg op. Ze zouden desnoods tot aan de kroeg blijven marcheren. Zo hoorde dat nou eenmaal. Er werd niet halverwege een nummer gestopt. Er werd pas gestopt als het klaar was.