Blijdorp

Nerveus tikt Marvin met zijn vingers op zijn bovenbenen. Zijn zoontje Levi zit naast hem in de bus, met zijn knieën op de stoel. Normaal mag hij dat niet, maar vandaag is een speciale dag. Levi heeft zijn handen tegen het glas gedrukt, zijn ogen bekijken ieder passerend stukje stad. Als de bus vertraagt en in de richting van de halte wordt gestuurd staat Levi al op van zijn stoel. Ongeduldig trappelend wacht hij voor de gesloten deur, zijn handje stevig in die van Marvin geklemd. Marvin slaakt een diepe zucht, bereid zich voor op wat er komen gaat. Als de deuren openen wurmt Levi zich ertussendoor en springt de bus uit.

Twee weken geleden vond het schoolreisje plaats. Ze gingen naar Blijdorp. Vlak daarvoor had juffrouw Lisanne Marvin ingelicht dat de school het reisje niet nog een keer voor Levi voor kon schieten. De rekening van de afgelopen twee reisjes en het kamp stond nog open. Pas thuis besefte Marvin dat dit de allereerste keer zou zijn dat Levi niet mee zou gaan. Dat dit misschien voor het eerst zou zijn dat zijn zoontje iets zou merken van de problemen die zijn vader had. Natuurlijk had hij al vaker moeten compenseren, maar iedere keer had hij er een mooi verhaal bij verzonnen. Van het B-merk pindakaas werd je nóg sneller groot, maar bijna niemand wist dat. Het was een geheim. De tweedehands kleding die Marvin voor Levi kocht of kreeg stopte hij in een tas van een kledingwinkel. Dan leek het net alsof hij ze zojuist daar gekocht had. En Levi geloofde alles, hij was te jong om te geloven dat er door zijn vader tegen hem gelogen werd.

Maar Marvin kon geen goed verhaal bedenken over Blijdorp. Hij kon niet verzinnen waarom zijn zoontje niet naar de dierentuin zou mogen. Zijn geldproblemen waren geen goede reden. Dus vertelde hij zijn zoontje dat hij niet met de klas mee ging, omdat Marvin hem zelf een keer mee wilde nemen. Omdat de eerste keer naar Blijdorp een reisje met zijn vader zou moeten zijn. Nu, anderhalve maand later, had Marvin 9,47 euro opzij kunnen leggen. Net iets meer dan de helft van een kaartje voor Levi. En er kwam een grote rekening aan. Als hij die niet zou betalen zouden ze zonder water komen te zitten. Maar hij had het zijn zoon beloofd en dus gingen ze naar Blijdorp.

Terwijl Marvin en Levi langs het Vroesenpark lopen begint hij zijn verhaal te vertellen. Dagenlang heeft hij erover gedaan, heeft hij het geperfectioneerd, het gerepeteerd. Alles moest kloppen. Ze zijn vandaag expres zo vroeg mogelijk vertrokken, zo vroeg dat Blijdorp nog niet eens open is. Hij vertelt Levi dat er dagen zijn dat Blijdorp open is voor publiek en dat er dagen zijn dat de dieren slapen. Dat ook de dieren weekend hebben en dat, omdat het vandaag weekend is, de meeste dieren zullen slapen. Normaal mogen bezoekers op de slaapdagen niet naar Blijdorp, maar ze hebben voor Levi een uitzondering gemaakt. Bij ieder woord groeien de ogen van Levi en begint de fonkeling in zijn ogen duidelijker te worden. Hij wordt zo geabsorbeerd door het verhaal dat hij niet het grote uithangbord aan de overkant van de straat ziet. Pas al ze bij het stoplicht ertegenover staan en Marvin klaar is met zijn verhaal wijst hij het voor zijn zoon aan.

‘Blijdorp!’ roept Levi uit en als het licht op groen gaat sleurt hij, met zijn kleine handje, zijn vader op een kleine draf mee naar de overkant. Onder het bord blijven ze staan. Twee pasgeboren ijsberen worden aangeprezen.

‘Hier wonen de ijsberen, hè papa?’ Levi fluistert, alsof hij bang is de dieren met zijn stem wakker te maken. Marvin knikt zachtjes. Ze beginnen rustig langs het hoge hek te lopen. Marvin vertelt over de hoogte ervan, over de geboorte van de ijsberen, over hun namen en hoe deze namen gekozen zijn. Terwijl hij luistert, tuurt zijn kleine man onafgebroken tussen de bladeren en takken door. Eens in de zoveel tijd stoppen ze. Met een open mond wacht zijn zoontje op een beweging, een geluid, een teken van leven. Het enige wat ze zien, terwijl ze langs het buitenste hek van Blijdorp af lopen, zijn een paar vogels en een verdwaalde eekhoorn. Toch kan de glimlach op Levi’s gezicht niet breder. Aangemoedigd door de vrolijkheid en de gelukkige blik van zijn zoon begint Marvin steeds meer verhalen te verzinnen. En Levi, die waant zich in Blijdorp.

Als ze stilstaan bij de ‘stokstaartjes’ horen ze in de verte ineens geluiden. Klapperende vleugels. Spetterend water. Levi kijkt op, strekt zijn lichaam en stormt op het geluid af. Bij de bron ervan houdt hij stil. Achter het hek opent het bos zich voor een kleine rivier. Het water stroomt onder een kleine verlaten brug door. Overal in het water, rond de oevers en eromheen bevinden zich grote grijze vogels met een gigantische bek. Pelikanen. Wakkere pelikanen. Levi huppelt van blijdschap op zijn plaats, wijst met zijn kleine vingertje naar de beesten, trekt zijn vader aan zijn mouw dichterbij. Hij giechelt luid als een van de vogels bovenop een ander terecht komt. Marvin knielt en Levi gaat op zijn bovenbeen zitten. Met zijn armen om zijn zoontje kijken ze samen naar het tafereel. De twee euro voor noodgevallen die hij in zijn portemonnee heeft zitten gaat hij zo uitgeven. Aan een ijsje. Dat hoort er wel een beetje bij. Marvin gelooft bijna dat het goed zo is tot hij tussen de bomen ziet dat mensen de brug op lopen. Bezoekers. Blijdorp is open.

Hij schrikt, staat op, en pakt Levi zijn hand vast. Hij wil zijn zoontje wegtrekken, zodat hij niet ziet dat er mensen binnen de hekken zijn, maar precies op dat moment ziet hij zijn dromerige. Hij ziet hoe zijn zoon krampachtig probeert alles van dit beeld in zich op te nemen, iedere seconde koestert, en zijn grip verslapt. Marvin knielt. Levi merkt de mensen ook op en even kijkt hij verbaasd.

‘Papa? Gaan die mensen de pelikanen helpen slapen?’

Marvin lacht, knikt en knielt weer. Zijn zoontje neemt hij op schoot en knuffelt hem. Hij vraagt zich af hoe lang hij zo klein zal blijven. Hoe lang het zal duren voordat hij zijn kleine man geen verhalen meer kan vertellen.

In de wolken

Zwijgend zitten de broers naast elkaar in de auto. Boris met zijn handen stevig om het stuur geklemd, Toby met zijn neus tegen het raam gedrukt. Er heeft zich een angstige blik in de ogen van Boris genesteld. Hij is pas zeventien, zijn rijbewijs heeft hij bij lange na nog niet, en toch rijdt hij om drie uur ‘s nachts in de auto van hun vader richting de brug. Met iedere afgelegde meter die ze dichter bij de brug komen ontspant hij een beetje. Naast hem laat Toby’s adem het raam beslaan. Eens in de zoveel tijd veegt hij de condens met zijn mouw weg. En dan tuurt hij weer onafgebroken naar buiten. Het is er pikkedonker. De weg wordt verlicht door een sporadische lantaarnpaal, maar voor de rest is de buitenwereld gehuld in een wit gordijn. Alsof de hele wereld op dit moment bestaat uit een grote wolk. Dat zal zo wel veranderen, als ze de brug oprijden.

De allereerste keer dat ze door de mist de brug op reden zaten Boris en Toby alleen met hun moeder in de auto. Toby was een paar dagen daarvoor zes geworden en had een Superman-cape gekregen. Als hij beloofde niets tegen hun vader te zeggen mocht Toby voorin zitten. Boris, toen al ruim een kop groter dan zijn broertje, zat mokkend achterin. Van de wereld om hen heen was er die dag weinig te zien, alleen de auto voor hen was te herkennen. Tot ze bijna bovenaan de brug kwamen. De mist verdween, leek tegen een onzichtbaar plafond aan te komen en verdween onder hen.

‘Kijk, Toby. Nu is het net alsof we vliegen.’ Hun moeder wees naar de zijkant van de brug.

De mist schuurde tegen de brug aan. Alsof de lucht hier weerbaarder was en zich tegen de immense witte massa kon verzetten. Toby keek met grote ogen naar buiten. Het was alsof het wolkendek zich onder hen bevond en het asfalt in de lucht zweefde. En zij, met hun auto, daar middenin. Als in trance deed Toby zijn raampje open en stak zijn hoofd eruit. De Superman-cape bungelde door middel van een touwtje aan zijn nek. Hun vader was allang tegen Toby uitgevallen, had hem allang teruggeroepen, maar hun moeder concentreerde zich op de weg en een glimlach nestelde zich op haar gezicht. Ze ging zelfs een beetje langzamer rijden. Boris zei niets. Eerst had hij willen protesteren tegen de koude lucht die nu in zijn gezicht blies, maar toen hij door had dat zich hier een speciaal moment ontvouwde hield hij zijn mond. Van het wolkendek buiten het raam zag hij niets. Het enige waar hij zicht op had was de felrode wapperende cape van Toby.

Mist zoals die dag kwam niet vaak voor, over de jaren heen waren de keren op één hand te tellen. Op de dagen dat ze over de brug reden staken de jongens hun hoofden naar buiten en glimlachte hun moeder bij het aanzicht. En altijd droeg Toby zijn Superman-cape. Hoe oud hij ook werd. De enkele keer dat hun vader in de auto zat gedroegen ze zich voorbeeldig. De cape bleef in de rugzak, maar hun blikken waren gedurende de overtocht iedere seconde op die witte mist gericht. Ze vertelden hun vader er niets over. Hij was een man die hen Louis Couperus voor las toen ze nog jong waren en ze verplichtte tot het lezen van de krant in de ochtend. Hij zou het niet begrijpen. Dit was een geheim tussen hun moeder, Boris en Toby. Hun geheim momentje van geluk.

Vanochtend was de eerste keer in tijden dat de mist weer dik genoeg was. Toen Boris de gordijnen in zijn slaapkamer open deed en het zag stond Toby beneden al aan de arm van hun vader te trekken. Te smeken of hij hen alsjeblieft met de auto naar school wilde brengen. Hun vader zag niet in waarom een beetje mist de de fitte pubers ervan moest weerhouden te fietsen. Dus fietsten ze zwijgend naar school. De mist was zo dik, het leek wel een zacht kussen waar je op kon springen. Het was prachtig, maar over de brug fietsen was niet hetzelfde. Er was snelheid nodig om echt te geloven dat je vloog.

Die avond werd er voor de volgende dag weer mist voorspeld. Boris lag in bed, zijn armen onder zijn hoofd gevouwen, te staren naar het plafond. Het was jaren geleden dat ze met hun moeder over de brug waren gereden. Hij vroeg zich af of het anders zou zijn als ze het met zijn tweeën zouden doen. Of dat het zonder de glimlach van zijn moeder nog hetzelfde zou voelen. Toen het iets na drieën was en hij nog niet kon slapen nam hij een besluit. Hij liep Toby’s kamer binnen, fluisterde zachtjes zijn naam en knipte het licht aan. Toby lag aangekleed onder de dekens. De rugzak met daarin de superman-cape hield hij stevig geklemd tegen zijn buik.

De brug doemt voor hen op. Het asfalt buigt zich langzaam omhoog, de duisternis in. Het is stil in de auto, de radio hebben ze niet eens aan gezet. Op de achterbank ligt de rugtas met daarin de inmiddels vale rode cape. In het donker ziet de mist er anders uit. Grijzer, onheilspellender. Het steekt meer af tegen het zwart van de nacht. Beiden jongens zien het, maar ze zeggen er niets over. Op het moment dat ze de brug oprijden vertraagt Boris. Hij stuurt de auto zo ver als hij kan naar rechts, richting de wolken, en hoewel hij op de weg moet letten raakt hij afgeleid door het sprookjesachtige tafereel dat na al die jaren nog steeds indruk op hem maakt. Alsof ze heel even in een andere wereld zijn. Die van vroeger. Terug naar de tijd dat zijn grootste zorg was dat zijn jongere broertje voorin mocht zitten en hij niet. Toby draait zich om naar zijn broer, kijkt hem een paar seconden vragend aan. Er hoeft geen antwoord te komen. Hij draait het raampje open, de koude lucht wurmt zich naar binnen. Vlak voordat hij zijn hoofd naar buiten wil steken verbreekt hij de stilte:

‘Boris?’

‘Ja?’

‘Wil jij niet voor een keer de cape om?’

 Ps. Op de hoogte blijven? Like de Facebookpagina! (zie onderaan deze pagina)