Paultje

‘Paultje! Wacht nou even.’

De trainer trok Paultje net zo lang aan zijn arm tot hij stopte met weg benen. Hete tranen liepen over zijn wangen. Hij wendde zijn hoofd af.

‘Het geeft toch niet? Je bent hartstikke goed, maar gewoon nog een beetje jong.’

Paultje voelde hoe een hand over zijn rug wreef. Hij schudde die weg en smeerde met een vuist zijn tranen over zijn wangen uit. Boos richtte hij zich op het asfalt van de parkeerplaats.

‘Paultje. De meeste jongens gaan pas over twee jaar naar de C. Volgend jaar, dan ben jij vast aan de beurt.’

Paultje’s blik gleed over het natte asfalt naar de rest van de parkeerplaats, naar die vaalrode Peugeot die hem iedere training op stond te wachten. Daar stond zijn vader, één hand in de zak van zijn jas en de ander in de lucht gestoken. De trainer liet Paultje’s pols los en liep terug, alsof hij dacht dat zijn taak volbracht was. 

‘Papa zat op mijn leeftijd al wel bij de C.’ zei Paultje nog, maar de trainer was al te ver weg.

Zijn vader keek hem met grote ogen aan. ‘En?’ leken die wenkbrauwen hoog op zijn voorhoofd te zeggen. Paultje liet zijn hoofd hangen en schudde zachtjes nee. Hij hoopte dat zijn vader het zou zien en hij zo de blik van teleurstelling bespaard zou blijven.

*

‘Paul van Esdorp.’ De naam kaatste door de ruimte, van muur naar muur, over de hoofden van het publiek en weer terug naar voren. Begeleid door applaus besteeg Paul het podium van de aula. Voor de decaan bleef hij stilstaan.

‘Paul is de enige student van de hele klas die cum laude is afgestudeerd. Hij gaat op de TU technische natuurkunde studeren, net als zijn vader.’

Er werd geklapt. Paul glimlachte onwennig terwijl hij zijn diploma in ontvangst nam en de zaal in keek. Daar, in het midden van rij drie, omringd door mensen die waren blijven zitten, stond de vader van Paul. Zijn gezicht bestond voor de helft uit een gigantische lach, zijn handen klapte hij zo hard tegen elkaar dat ook dat geluid tegen de wanden kaatste en Paul op het podium bereikte.

*

‘Shit, shit, shit.’ Paul keek naar het opgelichte scherm van zijn telefoon. Hij knalde zijn biertje op de bar, griste zijn jas van de barkruk en haastte zich naar buiten. Vlak voor de deur hield Frits hem tegen.

‘Waar ga je heen? Ik heb net een nieuw biertje voor je besteld.’

‘Ik moet naar huis. Ik heb morgen om half negen college.’

Frits begon te lachen. ‘Die ging je toch skippen?’

‘Nee, dat kan niet.’ Paul schudde wild zijn hoofd.

Frits greep zijn schouders met beide handen vast. ‘Paul, je gaat dat vak toch niet meer halen na die onvoldoende voor die opdracht.’

‘Dat is geen optie. Ik moet het halen.’ Met rode wangen duwde hij zijn huisgenoot hardhandig aan de kant en wurmde zich door de mensenlijven naar buiten. Hij slingerde door de rokers de straat op en zocht steun bij de muur toen hij even dubbel zag. De drie biertjes op een nuchtere maag vielen hem zwaar. In zijn linkerhand klemde hij zijn telefoon. Een gemiste oproep. Hij belde het nummer terug.

‘Hey pa.’

*

De uitschrijvingsbrief lag als een boosaardig oog vanaf zijn bureau hem aan te staren. Niet voldaan aan de eisen, te weinig studiepunten voor het tweede jaar, de onvoldoendes. Het stond er allemaal in. Einde oefening. Geen woord gelogen en toch voelde het als bedrog. De telefoon ging. Paul haalde diep adem en nam op.

‘Ha, jongen. Hoe is het ermee?’

‘Ja, goed. Druk. Je kent het wel.’ Paul schoof de kleren van zijn bureaustoel op de grond en nam plaats.

‘Heb je al een onderwerp voor je bachelorscriptie?’

‘Nee, maar ik heb wel wat ideeën. Het moet hier aan allemaal voorwaarden voldoen. Super lastig en zo. Maar het komt allemaal goed hoor, pa.’

‘Daar heb ik alle vertrouwen in, zoon. Wanneer kom je weer eens langs? Lang geleden.’ Paul schuifelde naar zijn bed en liet zich op het bed vallen. Hij trok het dekbed over zijn hoofd.

‘Pff, ja, dat weet ik even niet hoor. Ik heb het zo druk.’

‘Nee, nee, snap ik. Geen probleem. Kijk maar wanneer het je uitkomt. Ik dacht, kunnen we misschien samen brainstormen over dat onderwerp.’

*

‘Paul, je pa staat voor de deur.’

Met zijn ene geopende oog zag Paul Frits over zijn bed gebogen staan.

‘Wat?’

‘Ja. Je pa.’

‘Shit.’ Frits stapte achteruit terwijl Paul uit zijn bed sprong en bijna struikelde over de blikjes bier die naast zijn bed lagen. Tussen de kledingstukken die verspreid bij het voeteneinde lagen vond Paul zijn broek. Terwijl hij met zijn ene hand zijn gulp probeerde dicht te maken stootte hij met zijn andere het meisje in zijn bed aan. Roos? Rosa?

‘Je moet eruit. Nu. Kleed je aan.’

Hij smeet het jurkje dat ze gisteren aan had richting haar hoofd. Van een afstandje sloeg Frits hem gade, met een vers gerolde joint in zijn mond en een grijns erop.

‘Waar is hij?’ vroeg Paul, terwijl hij zich in allerlei bochten draaide om zijn trui aan te krijgen.

‘Hij moest gelijk even naar de wc.’

Paul haalde gehaast een hand door zijn haren en liep de woonkamer in. Een penetrante wietgeur kwam hem tegemoet.

‘Jezus, Frits.’ Paul beende naar het raam, opende het en wapperde overdreven met zijn armen. Precies op dat moment kwam zijn vader de kamer in.  Hij had zijn handen in de zakken van zijn lange blauwe jas gestoken, eronder was een klein stukje witte blouse te zien. Zijn neus had hij in de lucht gestoken en zijn wenkbrauwen waren omhoog gevouwen. Hij glimlachte toen hij zijn zoon zag.

‘Pa, wat een verrassing.’ zei Paul toen hij zijn vader een knuffel gaf. ‘Wat kom je doen?’

‘Ik dacht, laat ik eens kijken hoe het met mijn zoon is. Misschien kunnen we samen gaan lunchen.’ Zijn vader liep verder de kamer in, met zijn handen op zijn rug. Frits was in de deuropening van de slaapkamer blijven staan, de joint verborgen achter zijn rug. Achter de rug van zijn vader om gebaarde Paul wild dat Frits het ding weg moest doen. Paul’s vader stopte met ijsberen, stak zijn neus nogmaals in de lucht en lachte. ‘Ik snap het wel hoor.’

‘Ja?’ antwoordde Paul.

‘Ja, natuurlijk. In de seventies deden we dit ook zo vaak. Beste manier om inspiratie te krijgen. Heeft het al geholpen met het bepalen van de onderwerp?’

Paul kromp ineen. Uit de slaapkamer kwam Roos of Rosa aangelopen, haar ogen slechts half open en haar haren als een vogelnest bovenop haar hoofd. Ze gaapte zonder haar hand voor haar mond te doen.

‘Ah, jij moet Marina zijn.’ zei de vader van Paul en hij liep op het meisje af met uitgestoken hand. Ietwat vertwijfeld keek ze eerst Paul aan voordat ze hem aannam. Ze knikte schaapachtig. Met grote stappen liep Paul op hen af en legde een hand op de schouder van zijn vader.  

‘Pa, zullen we dan maar gaan?’

Zijn vader knikte, maar bleef ‘Marina’ gebiologeerd aankijken.

‘Wacht maar buiten pa, anders gaat die stank zo in de kleren zitten. Ik kom eraan.’

Terwijl zijn vader weer naar de voordeur liep gebaarde hij het meisje te gaan.

‘Wie is Marina?’ vroeg ze nog. Hij liep terug de slaapkamer in, trok zijn jas van het bureau af. De stapel papieren die eronder lag kwam met een smak op de grond terecht. Het boze oog keek hem vanaf de grond aan. Hij raapte de uitschrijvingsbrief behoedzaam op, keek er even naar en legde het toen weg.

Blijdorp

Nerveus tikt Marvin met zijn vingers op zijn bovenbenen. Zijn zoontje Levi zit naast hem in de bus, met zijn knieën op de stoel. Normaal mag hij dat niet, maar vandaag is een speciale dag. Levi heeft zijn handen tegen het glas gedrukt, zijn ogen bekijken ieder passerend stukje stad. Als de bus vertraagt en in de richting van de halte wordt gestuurd staat Levi al op van zijn stoel. Ongeduldig trappelend wacht hij voor de gesloten deur, zijn handje stevig in die van Marvin geklemd. Marvin slaakt een diepe zucht, bereid zich voor op wat er komen gaat. Als de deuren openen wurmt Levi zich ertussendoor en springt de bus uit.

Twee weken geleden vond het schoolreisje plaats. Ze gingen naar Blijdorp. Vlak daarvoor had juffrouw Lisanne Marvin ingelicht dat de school het reisje niet nog een keer voor Levi voor kon schieten. De rekening van de afgelopen twee reisjes en het kamp stond nog open. Pas thuis besefte Marvin dat dit de allereerste keer zou zijn dat Levi niet mee zou gaan. Dat dit misschien voor het eerst zou zijn dat zijn zoontje iets zou merken van de problemen die zijn vader had. Natuurlijk had hij al vaker moeten compenseren, maar iedere keer had hij er een mooi verhaal bij verzonnen. Van het B-merk pindakaas werd je nóg sneller groot, maar bijna niemand wist dat. Het was een geheim. De tweedehands kleding die Marvin voor Levi kocht of kreeg stopte hij in een tas van een kledingwinkel. Dan leek het net alsof hij ze zojuist daar gekocht had. En Levi geloofde alles, hij was te jong om te geloven dat er door zijn vader tegen hem gelogen werd.

Maar Marvin kon geen goed verhaal bedenken over Blijdorp. Hij kon niet verzinnen waarom zijn zoontje niet naar de dierentuin zou mogen. Zijn geldproblemen waren geen goede reden. Dus vertelde hij zijn zoontje dat hij niet met de klas mee ging, omdat Marvin hem zelf een keer mee wilde nemen. Omdat de eerste keer naar Blijdorp een reisje met zijn vader zou moeten zijn. Nu, anderhalve maand later, had Marvin 9,47 euro opzij kunnen leggen. Net iets meer dan de helft van een kaartje voor Levi. En er kwam een grote rekening aan. Als hij die niet zou betalen zouden ze zonder water komen te zitten. Maar hij had het zijn zoon beloofd en dus gingen ze naar Blijdorp.

Terwijl Marvin en Levi langs het Vroesenpark lopen begint hij zijn verhaal te vertellen. Dagenlang heeft hij erover gedaan, heeft hij het geperfectioneerd, het gerepeteerd. Alles moest kloppen. Ze zijn vandaag expres zo vroeg mogelijk vertrokken, zo vroeg dat Blijdorp nog niet eens open is. Hij vertelt Levi dat er dagen zijn dat Blijdorp open is voor publiek en dat er dagen zijn dat de dieren slapen. Dat ook de dieren weekend hebben en dat, omdat het vandaag weekend is, de meeste dieren zullen slapen. Normaal mogen bezoekers op de slaapdagen niet naar Blijdorp, maar ze hebben voor Levi een uitzondering gemaakt. Bij ieder woord groeien de ogen van Levi en begint de fonkeling in zijn ogen duidelijker te worden. Hij wordt zo geabsorbeerd door het verhaal dat hij niet het grote uithangbord aan de overkant van de straat ziet. Pas al ze bij het stoplicht ertegenover staan en Marvin klaar is met zijn verhaal wijst hij het voor zijn zoon aan.

‘Blijdorp!’ roept Levi uit en als het licht op groen gaat sleurt hij, met zijn kleine handje, zijn vader op een kleine draf mee naar de overkant. Onder het bord blijven ze staan. Twee pasgeboren ijsberen worden aangeprezen.

‘Hier wonen de ijsberen, hè papa?’ Levi fluistert, alsof hij bang is de dieren met zijn stem wakker te maken. Marvin knikt zachtjes. Ze beginnen rustig langs het hoge hek te lopen. Marvin vertelt over de hoogte ervan, over de geboorte van de ijsberen, over hun namen en hoe deze namen gekozen zijn. Terwijl hij luistert, tuurt zijn kleine man onafgebroken tussen de bladeren en takken door. Eens in de zoveel tijd stoppen ze. Met een open mond wacht zijn zoontje op een beweging, een geluid, een teken van leven. Het enige wat ze zien, terwijl ze langs het buitenste hek van Blijdorp af lopen, zijn een paar vogels en een verdwaalde eekhoorn. Toch kan de glimlach op Levi’s gezicht niet breder. Aangemoedigd door de vrolijkheid en de gelukkige blik van zijn zoon begint Marvin steeds meer verhalen te verzinnen. En Levi, die waant zich in Blijdorp.

Als ze stilstaan bij de ‘stokstaartjes’ horen ze in de verte ineens geluiden. Klapperende vleugels. Spetterend water. Levi kijkt op, strekt zijn lichaam en stormt op het geluid af. Bij de bron ervan houdt hij stil. Achter het hek opent het bos zich voor een kleine rivier. Het water stroomt onder een kleine verlaten brug door. Overal in het water, rond de oevers en eromheen bevinden zich grote grijze vogels met een gigantische bek. Pelikanen. Wakkere pelikanen. Levi huppelt van blijdschap op zijn plaats, wijst met zijn kleine vingertje naar de beesten, trekt zijn vader aan zijn mouw dichterbij. Hij giechelt luid als een van de vogels bovenop een ander terecht komt. Marvin knielt en Levi gaat op zijn bovenbeen zitten. Met zijn armen om zijn zoontje kijken ze samen naar het tafereel. De twee euro voor noodgevallen die hij in zijn portemonnee heeft zitten gaat hij zo uitgeven. Aan een ijsje. Dat hoort er wel een beetje bij. Marvin gelooft bijna dat het goed zo is tot hij tussen de bomen ziet dat mensen de brug op lopen. Bezoekers. Blijdorp is open.

Hij schrikt, staat op, en pakt Levi zijn hand vast. Hij wil zijn zoontje wegtrekken, zodat hij niet ziet dat er mensen binnen de hekken zijn, maar precies op dat moment ziet hij zijn dromerige. Hij ziet hoe zijn zoon krampachtig probeert alles van dit beeld in zich op te nemen, iedere seconde koestert, en zijn grip verslapt. Marvin knielt. Levi merkt de mensen ook op en even kijkt hij verbaasd.

‘Papa? Gaan die mensen de pelikanen helpen slapen?’

Marvin lacht, knikt en knielt weer. Zijn zoontje neemt hij op schoot en knuffelt hem. Hij vraagt zich af hoe lang hij zo klein zal blijven. Hoe lang het zal duren voordat hij zijn kleine man geen verhalen meer kan vertellen.