Glastonbury

Pinkpop 2011. Het optreden van Coldplay. Mijn vader heeft het er nog over. We stonden helemaal vooraan te springen, te dansen, te schreeuwen en te zingen. Met weemoed denkt hij terug aan hoe de ‘ooh ooh ooh ooh’ van Viva la Vida door duizenden stemmen over het gras echode. Fix you, dat prachtige nummer dat hij voor die dag niet kende, draait hij nog grijs. Eens in de zoveel tijd haalt hij de herinnering op door het concert op zijn dvd recorder op te zoeken. Dan gaat de muziek kei hard aan en staat hij voor de tv mee te deinen en te zingen, alsof hij er weer bij is.

Dat we daarvoor doodsangsten hebben uitgestaan is mijn vader allang vergeten, maar ik herinner me heel goed hoe we bijna verdrukt werden, nog voordat we in het eerste vak belandden. Tegen ieder deel van mijn lichaam zat een lichaamsdeel van een ander geplakt. Voor me stonden twee meisjes van 1.60 meter tranen van angst en wanhoop te huilen, omdat ze zich niet konden bewegen en omringd waren door mensen die allemaal langer dan zij waren. Mijn tas zat vast, ergens ver achter me, het hengsel voelde ik aan mijn nek trekken.

Dit jaar gaan mijn papa en ik naar Glastonbury, het grootste muziekfestival van Engeland. Vier dagen lang. Eens in de zoveel tijd belt hij me op. Of we toch niet een bed en breakfast moeten nemen, want hij heeft gehoord dat mensen tegen je tent zeiken en de camping naar wiet stinkt. Hij maakt zich nu al zorgen over het weer en de lange afstanden die we moeten lopen. Papa zegt het niet, maar hij vindt het doodeng. Dat slapen in een piepklein tentje op een veel te harde ondergrond, de vieze wc’s en alles eromheen.

Ik stel hem gerust, maar stiekem hoop ik dat al die dingen gebeuren. Laat het water maar uit de hemel storten, de modder mijn schoenen opslurpen. Ik omarm het wassen met wet wipes, de vermoeidheid van lange dagen en de schorre stem van het meezingen. Geef mij maar een dronkenlap die ik ’s ochtends voor de tent aan tref. Ik heb het voor over, dat afzien. Want dan, maanden, jaren later, hoor ik bij thuiskomst de te harde muziek en dan zie ik mijn vader staan. Meedeinend en zingend. Genietend.

Lang en gelukkig

Lang geleden, toen de allereerste zin die je sprak altijd met ‘Er was eens’ begon, was het leven eenvoudig. Als jong meisje mocht je geen rode cape dragen, want dat zou de aandacht van de wolf trekken. Dat kon trouwens ook als je biggetjes of geitjes in huis had. Dan moest je maar hopen dat de biggetjes niet de neiging kregen om huisjes te gaan bouwen. De geitjes kon je nog wel verstoppen in de klok, want daar zocht de wolf niet. Moest je alleen daarna voor de zekerheid nog de tanden van je oma controleren. Je moest zuinig zijn op je spullen, behalve als je een glazen muiltje had. Die kon je gerust ergens achterlaten. Spinnen kon je maar beter laten als je je ouders niet kende en in een hutje in het bos woonde.

Lang geleden, toen droegen alleen katten en kleine jongetjes te grote laarzen. Er waren goede feeën. Soms waren ze alleen, soms met zijn drieën, niemand wist precies wanneer ze met meerdere kwamen, maar dat maakte niet uit. Eén was genoeg om pratende muizen in paarden om te toveren, zodat jij naar het bal toe kon. Mensen woonden vroeger in de vreemdste huizen. Er was er een waaruit een bonenstaak groeide, waar eens in de zoveel tijd een jongen in klom. Er leefde een oude vrouw in een huisje van brood en koek. Een broer en zus bleven maar van dat huisje eten, ondanks dat de heks zwoer dat ze hen op zou eten als ze er de kans toe kreeg. Ook waren er negen dwergen, die met zijn allen samen woonden en niets anders deden dan naar de mijnen gaan en liedjes zingen.

Lang geleden, toen waren er ook kastelen. Daar woonden prinsen. Je kon ze herkennen aan het witte paard waar ze op reden. Je had geen idee wat ze overdag deden, maar ze verschenen altijd als er een naïef meisje gered moest worden. Zo’n meisje dat zonder goede reden opgesloten zat in een hoge toren. Die gelukkig wel zo slim was om haar haren te laten groeien – je wist immers nooit wie je tegen zou kunnen komen – maar die niet meer zelf uit de toren kon ontsnappen. Of zo’n meisje dat ongelooflijk lui werd van het eten van een glimmende rode appel of de prik van een spinnenwiel. Het enige wat ieder van deze meisjes nodig had was een kus.

Zo ging het, heel lang geleden. Het verhaal begon met ‘Er was eens’ en eindigde met de zoen die de prins het meisje gaf. Daarna leefden zij nog lang en gelukkig. Ik weet het heel goed. Ik heb alle verhalen gelezen, wel meerdere keren. Nu heb ik een vraag. De wolf heb ik buiten de deur kunnen houden, mijn prins heb ik ontmoet. De kus heb ik inmiddels ook gekregen, maar dat ‘leefden zij nog lang en gelukkig’, dat staat niet in de verhalen. Hoe moet ik nou weten hoe dat moet?