Bananenprinses

Hij had kunnen weten dat er een addertje onder het gras zat. De Heeren van Hercules stonden bekend om drie dingen; hun bijnamen, de bizarre A-tijd activiteiten en de selectieavond. Tot een uur of twee was Erik de avond doorgekomen door biertjes te drinken en te netwerken. Er was nog niets vreemds gebeurd. Hij was wel verplicht zijn drankjes achterstevoren te bestellen en het was extreem benauwd in de kroeg, alsof ze wilden dat je ging zweten. Tegen de tijd dat het half drie werd had Erik inmiddels zo veel sejtrieb gehaald, gedronken en geadt dat hij niet eens meer normaal een bestelling kon plaatsen. Gelukkig snapte de barman wel wat hij wilde. Hij was helemaal vergeten dat Hercules bekend stond om deze avonden. Laat staan dat deze avond veel te gewoontjes was verlopen. Om half drie, op het moment dat Erik zich hardop af stond te vragen of hij zijn gulp wel dicht had gedaan na het laatste toiletbezoek, werd duidelijk waarom de avonden befaamd waren. Er werd aangekondigd dat er één laatste activiteit zou plaatsvinden. Ze zouden Wie Ben ik spelen. Lukte het niet te raden wie je was, dan lag je eruit.

Sindsdien wist Erik hoe de Heeren van Hercules aan hun bijnamen kwamen en werd hij vanaf die nacht consequent met bananenprinses aangesproken. Hij had die belachelijke naam met eer en trots gedragen als dat had betekend dat hij deel uitmaakte van het herendispuut. Maar hij had het niet kunnen raden. Een jaar lang had hij met pijn in zijn hart gekeken naar die flitsende jongens in blauwe jasjes, die vol trots door de stad paradeerden. Hij had met jaloezie geluisterd naar de verhalen van Peter (prairiepaardje). Twaalf maanden lang werd zijn bijnaam bij iedere ontmoeting naar zijn hoofd geslingerd. Voor de leden van Hercules een herinnering aan het begin van iets moois, aan een prachtavond. Voor hem een herinnering aan de afgang.

Dat was vorig jaar. Erik was vastberaden het dit jaar wel te halen. Hij onderwierp het prairiepaardje aan een heuse inquisitie, speelden hele weekenden Wie Ben Ik, tot zijn vrienden smeekten wat anders te mogen doen. Tegenwoordig werd hij ook pas na 15 biertjes lichtelijk aangeschoten. Het had maanden gekost, maar hij was er helemaal klaar voor.

Het was benauwd in de kroeg, net als vorig jaar. Het licht was zo gedimd dat Erik amper de persoon voor hem kon onderscheiden. In het flauwe licht zag hij alleen de zweetpareltjes op het voorhoofd duidelijk glinsteren. Het bier smaakte hem slecht vanavond, het leek wel aangelengd met water. Hij keek de bruine vervallen kroeg rond. Aan de muur posters van activiteiten van voorgaande jaren. Achter de bar een oude man met een onverzorgde snor. Hier zou hij de rest van het jaar zijn alcohol nuttigen. Minstens een keer per weer de nacht doorbrengen. Om hem heen stonden zijn medeaspiranten. Groentjes, eerstejaars, die ieder stuk voor stuk dezelfde vragen stelden. Groentjes die dachten origineel te zijn. De dispuutsleden deden niet eens moeite om bij dezelfde vraag een ander antwoord te geven. De verveling droop van hun antwoord af, maar de groentjes leken het niet te merken. Die hadden net als Erik vorig jaar al iets te veel gedronken.

Erik dwarrelde door de kroeg, op zoek naar een interessant gesprek, maar na drie uur leken alle gesprekken doorgebloed en niemand deed de moeite er nog wat leven in te pompen. Aan de andere kant van de kroeg zag hij Peter staan, in het nauw gedreven door drie studenten. Hij keek benauwd. De laatste tijd leken de wallen onder zijn ogen weer gegroeid te zijn. Alleen toen Peter A-tijd had gelopen was het erger geweest.

Half drie en Wie Ben Ik kwam bijna als een verlossing. Erik keek ongeduldig op zijn klokje, terwijl hij in de kring plaatsnam. Over zes uur werd hij alweer verwacht in een collegezaal. Het kostte ongelooflijk veel tijd iedereen op dezelfde plek te krijgen en nog langer om toepasselijke bijnamen te verzinnen. Hij had verwacht dat de Heeren al een lijstje klaar hadden liggen, maar er werd voor zijn neus nog druk topoverleg gevoerd. Erik nam de tijd zijn competitie en toekomstige lotgenoten op te nemen. Vanuit de gesprekken had hij begrepen dat het veel gastjes waren die dezelfde studie deden als hun vader. Van die kereltjes die ook alles betaald kregen. Ze leken ook allemaal van gel te houden, hun haren zaten zo strak achterover. Het viel Erik nu pas op dat de Heeren ook allemaal gelhoofden waren. Afwezig veeg hij met een hand over zijn gemillimeterde haar. Ze droegen ook allemaal dezelfde blouses, alsof er maar een kledingwinkel in deze stad te vinden was. Erik vroeg zich af of hij die volgend jaar ook zou dragen. Hij hield niet van die plakkerige stof tegen je lichaam, waar je zo vreselijk in ging zweten.

Onder luid gejoel en geschreeuw werden de post-its op de voorhoofden van de aspiranten geplakt. De regels werden nog eens uitgelegd. Degene die raadde wat of wie hij was zou onder die bijnaam zich bij de Heeren mogen voegen. Erik keek de cirkel rond, las de namen van de andere jongens. Kikkererwt, everzwijn, kattenbak, smurfin. Waar waren de wrattenvanger van Hamelen, de flessenpostbezorger, de waterballetoefeningen? De prairiepaardjes en de bananenprinsessen? Waar waren de woorden die maakte dat het een prestatie was om bij de Heren van Hercules te horen?

Het kostte hem drie ronden voordat Erik wist wat hij was. Toen het zijn beurt was stond hij op en rukte de post-it van zijn voorhoofd. Er werd luid boe geroepen. Met vuisten naar hem gezwaaid. Gejoeld. Er werd zelfs bier in zijn richting gegooid. Erik verfrommelde het blaadje in zijn hand.

‘Wat doe je?’ riep Peter boven iedereen uit. Het geluid verstomde.

Met het briefje met daarop het woord poepzuiger in zijn handen zei Erik: ‘Ik blijf liever de bananenprinses.’ En beende de kroeg uit.