Klara

Niemand in de weide omgeving was zoals Klavermans. Voor ons was dat maar goed, want anders konden we geen koeien stelen en zouden velen van ons de winter niet door komen. Het was al erg genoeg dat we leefden in het bos, met tentendoeken die dienst deden als huizen. Die ene koe die van tijd tot tijd als een ware trofee in ons kamp verwelkomd werd zorgde voor weken rust en voedselvoorziening. Vanaf het moment dat ze stierf, dat haar vlees werd bereid en werd uitgedeeld, dat ieder deel van haar lichaam werd benut, vormden zich alweer nieuwe plannen voor een volgend slachtoffer.

De groep waar ik deel van maakte reisde steeds verder van het kamp vandaan, op zoek naar een nieuw slachtoffer. We zouden verder kunnen trekken, weg uit dit bos, op zoek naar nieuwe akkers, maar hier, precies hier, hadden we perfect zicht op het erf van Klavermans. Zijn grote, ruim opgezette stal tartte ons. De meeste boeren hadden slechts één, sommigen twee koeien, maar Klavermans had een stal waarin met gemak dertig koeien konden worden gehouden. Genoeg voor ons om een eigen boerderij te betrekken en met zijn allen een goed leven te leiden.

Maar Klavermans was niet zoals de andere boeren. Zijn erf lag bezaaid met botten, restanten van de dappersten van ons die de overtocht naar de stal niet had overleefd. Hij liet ze liggen, de lijken, zodat de stank van hun rottende lichamen door de wind langzaam onze kant op geblazen werd. Als een soort stinkende vogelverschrikker. Om ons er iedere seconde van de dag eraan te helpen herinneren wat er gebeurde als er getracht werd zijn koeien te stelen.

Ik kwam wel eens bij Klavermans op het erf. Zijn dochtertje, Klara, een klein tenger meisje, dat altijd eerst haar hoofd tevoorschijn stak alvorens haar lichaam volgde, had mij uitgekozen tot haar vriendin. Voor zover je de activiteiten die we samen ondernamen onder het woord vriendschap kon scharen. Ze had mij gekozen, al wist ik niet waarom, en iedere ochtend haalde ze me op.

Samen liepen we het erf af en bij ieder stapeltje menselijke resten vertelde ze me wanneer haar vader deze persoon neer had geschoten, hoe laat het gebeurde en de hoeveelste het was. Van mij verlangde ze dat ik haar vertelde hoe die persoon heette. Ik kende ze bijna allemaal. Bij iedere persoon bleef ze even staan, keek plechtig naar boven, naar God denk ik, hoewel ik niet weet of ze daar in geloofde en liep dan verder. De volgende keer had ze de namen onthouden. Als ik haar vragen stelde antwoordde ze niet en als ik tegen haar praatte negeerde ze me. Onze vriendschap bestond uit niets meer dan deze basale informatie uitwisseling.

Soms, als we bij een lijk stonden dat in de buurt van de stal lag, keek ik naar het lompe gevaarte dat midden op de akker stond. Het was meters verwijderd van de boerderij, alsof ze expres zo ver weg gebouwd was. De meeste boerderijen hadden een stal die bevestigd aan het huis zat, zodat de boeren door middel van het openen van één deur aan het werk konden. Klavermans had dat niet gewild, hij verkoos het kennelijk om iedere dag, in weer en wind, naar buiten te moeten lopen om zijn koeien te bezoeken.

Hoe steels ik ook naar het gebouw keek, Klara had het altijd door. “Hij is er nu.” zei ze dan als ze het zag. Als hij er niet was vertelde ze me dat ook. Ik wist niet wat ik met die informatie moest, net zo goed als ik niet wist waarom Klara mij meenam op deze ronde en me al de lijken liet zien. Nooit had ik hem gezien. Klavermans. Hij leek wel een spook, een schim die je niet zag, tot op het moment dat het te laat was en je de kogel je buik voelde doorboren. Klara wandelde altijd snel, gehaast, haar blik op de grond gericht tenzij ze bij de lijken op keek naar de hemel. Het viel me op dat ze nooit naar de stal keek, zoals ik dat ook niet deed, bang als ik was dat ik hem daar zou zien staan met zijn geladen geweer.

Het werd steeds moeilijker om in de omgeving nog voedsel te vinden. De laatste koe was dagen geleden gestorven en verorberd en de honger werd erger, de dagen kouder en korter. We zouden verder moeten trekken voor nieuwe boerderijen, maar toch bleven we in de buurt van Klavermans. De hoop was gevestigd op Klara, en op mij. De dagelijkse routine, het rondje, het was een manier van Klara om mijn vertrouwen te winnen, werd er gezegd. Nog even en het schuchtere, angstige meisje  zou me vertellen wat de zwakke plek van Klavermans was.

Maar dat deed ze niet. Het was een koude dag in februari toen Klara me weer ophaalde. Met een knoop in mijn maag, die met iedere stap groter leek te worden, volgde ik haar langs de ronde. Zes jonge mannen hadden zichzelf gisteren aangemeld. Gisternacht had ik afscheid van ze genomen, gezien hoe ze het erf op renden en nu begroette ik ze een voor een weer. Glen was een van die jongens geweest. De jongen wiens rode lange haren ik soms mocht vlechten als ik me verveelde. Ik had Glen nog niet gevonden.

Klara stuurde ons in de richting van de stal. Het gevaarte doemde voor me op, torende boven me uit, met een schaduw die zich als een levend wezen over de grond uitstrekte. Daar lag hij, Glen, dichterbij dan ieder ander ooit gekomen was. Een gapend gat in zijn rug. Zijn rode haar leek door het bloed drie tinten donkerder. Doodse ogen keken me beschuldigend aan. Als jij nou eerder het patroon had ontdekt, haar vertrouwen had gewonnen, dan was ik niet gestorven, leken ze te zeggen.

De stal was slechts meters bij ons vandaan. De dubbele deuren werden afgesloten met een houten balk, een ongelooflijk eenvoudig mechanisme dat zo veel waardevols herbergde. Ik kon het vlees en de mest bijna ruiken. Klara zag dat ik keek, richtte haar hoofd naar de hemel. Ik wachtte tot ze het zou zeggen, tot ze me zou vertellen of Klavermans er was of niet.

“Hij is er niet.”

Ik zette het op een rennen.

Ik had geen plan, niet nagedacht over hoe ik de stal weer zou verlaten, maar ik moest het weten. Binnen een paar stappen had ik de stal bereikt, klemde mijn handen om de balk en met trillende handen van inspanning tilde ik het gevaarte op. Ik keek niet achterom, niet om te zien of Klara achter me aan was gerend, of dat de deur van de boerderij open was gegaan en Klavermans was verschenen. Mijn ogen waren alleen gericht op de openende deuren.

Ik hoorde de knal wel, maar ze drong niet tot me door, tot de stekende pijn in mijn rug mijn aandacht eiste en een warm gevoel zich vanuit daar over mijn lichaam uitspreidde. Mijn lichaam helde voorover, iets wat ik niet wilde, want ik wilde de stal in kijken, maar voordat ik iets kon zien lag ik al op de grond.

“Waarom deed je dat nou? Had ik je niet voldoende gewaarschuwd?” De stem van Klara klonk dichtbij. Een schaduw viel over mijn lichaam en ik draaide me op mijn zij, terwijl een pijnscheut door mijn lijf schoot. Ik slaakte een kreet, onwillekeurig. In de deuropening van de stal, met het tegenlicht in zijn rug, zodat ik hem niet goed kon zien, stond Klavermans. In zijn hand het rokende geweer. Hij was kleiner dan ik me voor had gesteld en zijn haar leek wel lang.  Mijn zicht was troebel. Ik wreef in mijn ogen, zag het niet goed. Het leek Klara wel.

Frikandellen

Frikandellen. Dat was haar antwoord op de vraag van de begrafenisondernemer of hij nog iets voor haar kon doen. “Ik wil frikandellen”, had haar vader gezegd. “Frikandellen op mijn begrafenis. Kun je je dat voorstellen, Annelies? Al die droevige mensen in hun pakken en zwarte jurken met zo’n plastic bakje in hun handen met daarin een frikandel. Prachtig, toch?” Haar vader had daarbij hard op zijn bovenbeen geslagen, zoals hij alleen deed als hij iets echt leuk vond. Als reactie had ze wat schaapachtig gelachen. Zijn gezicht vertrok onmiddellijk. Hij had een benige vinger naar haar uitgestoken en had gezegd: “Ik meen het, Annelies.” De begrafenisondernemer keek op van zijn blaadje, leek even te aarzelen, maar vroeg toen: “Met mayonaise en curry?”

Tevreden dat ze haar vaders laatste en enige wens had vervuld kwam ze de woning binnen. Zonder de woonkamer in te kijken of iets te zeggen liep ze naar boven en stapte onmiddellijk onder de douche. “Hygiëne is belangrijk”, klonk de stem van haar vader. “Mensen rekenen je er op af als je stinkt.” Annelies kwakte de shampoo in haar haren en begon te schrobben. Met haar vingers schraapte ze over haar huid, duwde de shampoo tussen ieder haartje, tot het schuim over haar voorhoofd naar beneden liep, zoals haar vader dat ook altijd bij haar had gedaan. Na afloop had hij altijd haar haren geïnspecteerd, om te zien of ze de shampoo er goed uit had gespoeld.

Bij haar klasgenoten werd dit gecontroleerd door hun moeders, maar een moeder, die had Annelies niet. De vrouw die beneden hele dagen op de bank van de woonkamer lag, naar oud zweet stonk en alcohol dronk, deed niets wat een moeder behoorde te doen. Dus had Annelies al snel besloten dat die vrouw haar moeder niet kon zijn, ongeacht hoe vaak andere mensen haar wel zo noemden. Ze had alleen haar vader. Alleen die had ze nu dus ook niet meer.

Beneden kroop de sigarettenlucht door het huis en haar neusgaten in. Onderweg naar de keuken hield Annelies de trui voor haar mond. “Je rookt niet in dit huis, begrepen?” had haar vader ooit geschreeuwd tegen de vrouw. “Dat jij graag dood wilt is prima, maar laat ons erbuiten.” Vanaf dat moment was de vrouw ermee gestopt. Het duurde een paar dagen. Toen de vrouw er weer mee begon had ze tegen haar vader geschreeuwd: “Dood ga je toch!” Daar had ze gelijk in gekregen. In de keuken stond de afwas hoog opgestapeld op het aanrecht. Alle pannen waren nog vies. Op een half pak yoghurt na was er niets in huis. Annelies trok haar jas aan en verliet het huis.

Het belletje aan de deur klingelde en kondigde haar binnenkomst aan. Haar maag rammelde als aanvullende begroeting. De frituurlucht drong onmiddellijk haar neus binnen, verdreef de rook die aan haar kleefde.

“Wat mag het zijn, meisje?”

Op die vraag was maar één antwoord mogelijk. Heel de dag kon ze al aan niets anders denken en nog drie dagen wachten tot zaterdag ging niet.

“Een frikandel. Met mayonaise en curry.”